logo Frailea - Hidden treasures
Articles
  home    
Succulenta (Netherlands) 55(4): 62-65, 1976

Frailea aureinitens Buining et Brederoo spec. nova

061-1.jpg

Corpus paulo elongatum viride 2,5 cm longum est, ad 2 cm diametitur, et sub solo adhuc 1,5 cm corporis est desinens in radicem dauciformem. Costae 18-20 ad 2 mm latae divisae sunt in tubercula papilliformia, quae 1,5-2 mm diametiuntur et in acumen desinunt.
Areolae in acumine tuberculorum ovales 1,3 mm longae et 0,8 mm latae sunt, paucis sufflavis nitentibus pilis tomentosis instructae sunt, 1,5-2 mm in costa inter se distant.
Spinae in apice nitide maxime flavae ex auro sunt; marginales 17-19, 1,5-3 mm longae paulum curvatae sunt, tenuissimae, hyalinae, isabellinae, primo patentes deinde magis pectinate ad stellatim radiantes et magis in corpus pressae sunt; centrales 3 ad perpendiculum ad verticaliter distant, nitide maxime ex auro flavae, ad 2,5 mm longae sunt; spinae omnes in basi paulum crassatae sunt ibique atrius coloratae. Flores infundibulifirmes 25 mm longi et ad 28 mm lati sunt; pericarpellum 9 mm longum et 7 mm latum est squamulis saetis subbrunneis et pilis fumosis instructum; receptaculum 5 mm longum ad 9 mm latum est, squamulis saetis subbrunneis et pilis suggriseobrunneis instructum est; caverna seminifera ovalis est ovulis parietalibus instructa, quae ovula singularia placentis parietalibus iuncta sunt; camera nectarea 0,5 mm diametiuntur, glandulae nectareae in pede pistilli ad 0,5 mm diametiuntur; folia transeuntia spathulata acuminata sunt margine tenue dentato, subcitrina acumine nervaque mediali viridibrunneis; folia perianthii exteriora spathulata acuminata margine plus minusve undato et tenue den­tato subcitrina sunt acumine interdum subbrunneo; interiora spathulata acumine unguiformi margine irregulariter undato et eminenti subcitrina sunt; stamina primaria in duobus vel tribus coronis 8-10 mm longa et alba sunt; secundaria in 4-5 coronis ad 5 mm longa alba sunt; antherae 0,7 mm longae flavae sunt; pistillum 12 mm longum album est 8 stig-matibus albis 6,5 mm longis instructum.
Fructus tenuiparietalis est, siccatur, 15 mm longus et 10 mm latus est, areolis et saetis testaceis et plis fulvis instructus est. Semen galeriforme 1,5 mm longum, 1,2 mm latum est; testa nitide castanea pilis brevissimis flavis instructa est; pecten bene discerni potest, margo hili tuberculis minimis rotundis paene nigris instructus est; hilum ovale membrana tenui clauditur et transit in funiculum, micropyle sub margine hili a tergo est; embryo ovatum est, cotyledones bene discernuntur, perispermium deest.
Habitat: ad Guançu, Rio Grande do Sul, Brasilia in altitudine fere 500 m, in parietibus rupium magnarum rotundarum inter herbas et sub dumetis et crescunt Notocactus multicostatus, Notocactus mammulosus et Notocactus (Malacocarpus) species.
Holotypus in Herbario Ultrajecti, Hollandia, sub nr. H 178. Diagn. Lat. J. Theunissen.

Plant enkel, iets langwerpig, 2,5 cm lang (bovendien nog 1,5 cm onder de grond), tot 2 cm diam., groen, onder de grond penvormig toelopende wortel, onderaan de penwortel zich vertakkend.
Ribben 18-20, breed tot 2 mm, verdeeld in tepelvormige, ronde knobbeltjes, onderaan 1,5-2 mm diam., puntvormig toelopend.
Areolen op de top der knobbeltjes, ovaal, 1,3 mm lang, 0,8 mm breed, met iets lichtgeel glanzende viltharen, 1,5-2 mm van elkaar verwijderd op de rib. Dorens in de top glanzend diep goudgeel, de top der plant bedekkend, door elkaar vervlochten; RANDDORENS 17-19, boven in het areool 1,5 mm lang, de overige tot 3 mm lang, licht gebogen, zeer fijn, hyalin (= opaal glasachtig), licht geelbruin, eerst gespreid staand, later meer kamvormig tot stralend stervormig en meer tegen de plant gedrukt, vervlochten met de dorens van de aan­grenzende areolen; MIDDENDORENS 3, in het midden van het areool, lood­recht tot verticaal afstaand, 1 dikwijls naar beneden, de andere 2 meer zij­waarts gericht, glanzend diep goudgeel, lang tot 2,5 mm, licht gebogen, de puntjes soms iets haarvormig; alle dorens aan de voet iets verdikt en daar donkerder van kleur.

Bloem trechtervormig, ca. 25 mm lang, geopend 28 mm breed; PERICARPELLUM 9 mm lang, 7 mm breed, bekleed met zeer kleine schubjes, de bo­venste het langst, in de oksels der schubjes een geelachtig areool met licht­bruine borstels in bundels van 3 bijeen, tot 6 mm lang, licht gebogen en licht grijsbruine haren; RECEPTACULUM 5 mm lang, grootste breedte 9 mm, het onderste deel van de binnenwand rood van kleur; bekleed met spits toelopende schubjes tot 2 mm lang en 1 mm breed, lichtbruin van kleur, in de oksels der schubjes 4-5 lichtbruine, stijve, gebogen borstels tot 15 mm lang en licht grijsbruine haren; ZAADHOLTE ovaal, 6 mm lang, 4 mm breed, tot over het midden omgeven door een holle ruimte, ZAADKNOPPEN wandstandig, elk afzonderlijk verbonden aan in de zaadholtewand aanwezige strengen; NECTARKAMER aan de voet van de stamper, ca. 0,5 mm in door­snede, de omgeving rood van kleur, NECTARKLIEREN aan de voet van de nectarkamer (stamper), ca. 0,5 mm in doorsnede; OVERGANGSPERIANTHBLADEREN spatelvormig, tot 13 mm lang en 3 mm breed, top spits uitlopend en fijn getand, de onderste korter en vleziger, licht citroengeel, top en mid­dennerf groenbruinkleurig; BUITENSTE PERIANTHBLADEREN spatelvormig, tot 20 mm lang en 5,5 mm breed, top spits, rand meer of minder gegolfd en fijn getand, licht citroengeel, uiterste puntje soms lichtbruin; BINNENSTE PERIANTHBLADEREN spatelvormig, eindigend in een nagelvormige punt, tot 18 mm lang, 5,5 mm breed, rand onregelmatig gegolfd en gestulpt, licht citroengeel; PRIMAIRE MEELDRADEN in 2-3 kransen, 8-10 mm lang, wit, aan de voet van de stamper en evenwijdig daarmede lopend; SECUNDAIRE MEELDRADEN in 4-5 kransen, ca. 5 mm lang, wit, alle meer of minder aan­liggend tegen de binnenwand van het receptaculum; HELMKNOPJES goud­geel, 0,7 mm lang, lijnvormig, binnenwaarts omgekruld, wit, met papillen bezet.
Vrucht een droge bes, dunwandig, ovaal, 15 mm lang, 10 mm diam., bekleed met areolen en bruingele borstels en gele haren, op de top verenigd tot een dichte bundel.
Zaad mutsvormig, 1,5 mm lang, 1,2 mm breed; TESTA glanzend kastanje­bruin, met zeer korte, goudkleurige haartjes, hilumrand met zeer kleine, ronde knobbeltjes bijna zwart van kleur; KAM aan rugzijde duidelijk zichtbaar; HILUM ovaal, afgesloten door een dun vlies overgaande in funiculus, onder de hilumrand aan de rugzijde het micropyle; EMBRYO eivormig, cotyledons goed zichtbaar, zonder perisperm.
Groeiplaats: bij Guançu, Rio Grande do Sul, Brazilië, tegen wanden van grote ronde rotsen en tussen gras en onder struiken, samen met Notocactus multicostatus Buin. et Bred., Notocactus mammulosus en een Notocactus (Malacocarpus)-species. Holotype: in Herbarium Utrecht, onder nr. H 178.

063-1
064-1.jpg 064-2.jpg
064-3.jpg
       064-4.jpg
064-5.jpg
064-6.png 064-7.jpg
A = bloemdoorsnede met perianthbladeren; as = meeldraden; ap = primaire meeldraden; gn = nectarklieren; cs = zaadholte. B = zaad; f = funiculus; p = kam. B1 = hilumzijde. B2 = vrucht. B3 = zaadknoppen. B4 = links: embryo met binnenste testa; rechts: embryo geheel vrij gemaakt; co = cotytedons; r = wortelpool.

Tekeningen: A. J. Brederoo.
Valid HTML 4.01 Transitional

All material, except where otherwise credited, is Copyright
 © 2005-2007 Paul C. Laney

---------- end of page ----------