logo Frailea - Hidden treasures
Articles
  home    
Succulenta (Netherlands) 81(3): 130-135, 2002.

FRAILEA AMERHAUSERI PRESTLÉ
EEN INTERESSANTE NIEUWE SOORT UIT HET NOORDEN VAN BOLIVIA, VALIDERING
EN BESCHRIJVING.
K.H.Prestlé

Frailea Amerhauseri

    Resumen: Se describe una especie de Frailea desde el este de Bolivia como nuevo. Los caracteres diferenciales de sus
parientes probablemente mas proximos están discutido.

    Abstract : A new species of Frailea from eastern Bolivia is described. Its differencial characters to its putative closest relatives are discussed.

    Op zijn eerste Bolivia-reis, na het afzoeken van de standplaatsen van Gymnocalycium zegarrae in de hoogland van Oruro komend langs Cochabamba, Comarapa naar Samaipata, planden Helmut Amerhauser en zijn begeleider ook een afsteek van Santa Cruz de la Sierra naar Roboré. Het weer leek daarvoor gunstig te zijn en de weg was weliswaar stoffig, maar droog. Na regens zijn deze zandwegen in het laagland namelijk zo goed als onberijdbaar. Tot Santa Cruz de la Sierra ging het voorspoedig over een geasfalteerde weg. Later ging het in oostelijke richting, nu meer op een smalle zandweg verder. In het licht heuvelachtige terrein met dicht struikgewas leverde hen dat allereerst een onbekende opuntia en een machtige, 3 tot 4 meter hoge pereskiopsis-struik op. Af en toe vonden ze een kleine, ongeveer 10 cm grote echinopsis, die ze als Echinopsis klingleriana meenden te herkennen.
Bij Estación El Tinto bevindt zich een controlepost, die bij slecht weer de dan onberijdbare zandweg verspert. Amerhauser en zijn vrienden moesten hier enkele uren wachten tot de, vanwege de korte nachtelijke regens, versperde weg voor verder reizen werd vrijgegeven.

Frailea amerhauseri GN 929
Frailea amerhauseri GN 929 op de vindplaats

    Ze benutten het onvrijwillige oponthoud om in de omgeving van Estación El Tinto, dat in de zuidelijke uitlopers van de Cerro de Conceptión ligt, naar gymnocalyciums uit te kijken. Er konden uit deze omgeving geen vondsten gemeld worden. Gymnocalyciums vonden ze niet, ze ontdekten daar daarentegen echter een interessante frailea, die ze aanvankelik vanwege de buitengewone grote bloemen van ver voor een notocactus hielden. Bij het dichterbij komen merkten ze evenwel aan de ver uitstekende stijl dat het niet om een notocactus, maar om een frailea ging. In het dichte struikgewas op open plaatsen, tussen stenen of op met mos begroeide steenplaten groeit deze, tot nu toe volledig onbekende en noordelijkste soort van het geslacht Frailea.

Frailea amerhauseri Frailea amerhauseri HA 929
Frailea amerhauseri in cultuur (STO 929a) Frailea amerhauseri HA 929

    Ze vonden zelden alleenstaande exemplaren, meestal zijn de planten sterk spruitend, en vormen soms reusachtige kussens met 40 of meer koppen. De doorsnede van het plantenlichaam is ongewoon groot voor een frailea. Oude exemplaren hebben een diameter van 40 tot 50 mm. Opmerkelijk is de min of meer minder sterk bewolde schedel bij oude planten. In tegenstelling tot deze is de schedel van jonge planten niet met wol, maar met witte, haarachtige doorns bedekt.
     Door de ruimtelijk ver uit elkaar liggende vondsten (ongeveer 10 km), kregen afwijkende populaties een eigen veldnummer. Na het derde bezoek aan het areaal is nu echter duidelijk, dat de nummers STO 929, 929a, 929b, 930, 1401 en 1402 tot dezelfde groep behoren. De talrijkst voorkomende vorm STO 929a werd het holotype.
Frailea amerhauseri GN 929a Frailea amerhauseri HA 930
Frailea amerhauseri GN 929a Frailea amerhauseri HA 930

FRAILEA AMERHAUSERI PRESTLÉ, SPEC.NOV.

Latijnse diagnose;
A Frailea chiquitana M.Cardenas, quae spinis obscuris, epidermide uniformiter laete viridia versus pallide viridis cum lunis obscuris supra areolis, spinis hyalinoalbis dense dispositis et tubo pericarpelli basali intus intense rubro differt. AF.larae
R.Vasquez cormo perproliferante spinis longis mollibus versus multo breviores durae et floribus infundibuliformibus (versus campanulatis) allogamicis recedit.

Vergelijkingstabel tussen F. chiquitana, F. amerhauseri en F. larae
  F.chiquitana F. amerhauseri F. larae
Plantgrootte 2,5-3,0 cm breed
2,0-4,0 cm breed 1,5-2,0 cm breed
Bloem trechtervormig
20 mm - 1,20mm
trechtervormig
35 mm-1,50 mm
klokvormig
20 mm-1,25 mm
Kelk geel karmijnrood geel
Doorns bruin-zwart kiezelsteenwit-lang kiezelsteenwit-kort
Habitat stenig steengruis rotsplanten Chaco, zandig
Cleistogaam nee nee ja

Typus: Bolivien, Depto. Santa Cruz, prope Estación El Tinto, in praerupis montis Cerro de Conceptión, 380 msm, leg.H.Amerhauser HA 95-929a, 18.9.1995 ( Holotypus; LPB; Isotypus: WU)

    Lichaam zelden enkelvoudig, in de regel sterk spruitend en grote groepen vormend met tot 40 koppen, vlakkogelig, het bovengrondse lichaamsdeel 15 tot 40 mm breed (max.50 mm) en 0,15 tot 20 mm hoog (max. 35). Het zich in de bodem bevindende
deel 15 tot 25 mm lang met meerdere pen- en vezelwortels.
    De schedel gedeeltelijk verzonken (3 tot 4 mm), bij oude planten iets wollig, bij jonge planten met dunne, fijne, kiezelsteenwitte doornen bedekt.
    Plant lichtgroen, soms iets violetbruin doorlopen.
    Ribben 16 tot 22 (-28), vlak, in knobbeltjes verdeeld van 0,5 mm hoog en 0,4 mm breed, recht tot licht schuin geplaatst. Areolen
ovaal, klein, bruinachtig, 1,5 tot 2,0 mm lang, met witte wol. Doornen zacht,kiezelsteenwit tot licht barnsteenkleurig, dun.
    Randdoorns 9 tot 12, 3 tot 4 mm lang, bijna radiaal geplaatst, recht tot licht gebogen, van het lichaam afstaand, 1 middeldoorn, tot 6 mm lang, gelijk aan de randdoorns.
    Knoppen talrijk uit de schedelzone, 7 tot 8 mm lang en 6 mm breed, met dichte witte wol en met tot 10 mm lange barnsteenkleurige borstels vermengd, spits uitlopend.
    Bloemen zeer talrijk, meestal de gehele groep overdekkend, smal trechtervormig, tot35 mm lang und 50 mm in diameter, citroengeel.
    Receptaculum 10 mm lang und 5 mm in diameter, buiten geelachtig groen met schubjes van 1 tot 1,5 mm lang, 2-3 borstelharen in hun oksel van 6 mm lang en weinig lichtgrijze borstelharen. Binnenzijde geelachtig met een karmijnrode schijn in de onderste helft van de bloemtrechter.
    Bloemkelk karmijnrood.
    Stijl geelachtig wit, 20 tot 25 mm lang en 5 mm dik, tot 6 mm boven de meeldraden uitkomend, met gespreide witte stempel en met 6 (7), vertakte, 5 mm lange gespreide stempellobben.
    Meeldraden in twee rijen, de primaire (binnenste) 7 tot 10 mm lang, om de voet van de stijl geplaatst, de onderste helft karmijnrood, het bovenste deel geelachtig wit.
De overige meeldraden 4 mm lang en 4 mm hoog op de bloembuis ingeplant.
    Helmknoppen intensief roodachtig okerkleurig.
    Binnenste bloembladeren 15 tot 25 mm lang en 4 tot 5 mm breed, lancetachtig, spits uitlopend, buitenste bloembladeren 15 tot 18 mm lang en 5 mm breed, de onderzijde roodachtig gestreept.
    Vrucht kogelvormig, met witte areoolwol en licht barnsteenkleurige borstelharen, 7 mm lang en 7 mm in diameter, roodachtig olijfgroen ( bij nattigheid rood ), met aangehechte bloemrest.
    Zaden hoedvormig, 1,5 mm hoog en 2,0 mm breed, mat glanzend, kastanjebruin.
    Thuisland : Oost-Bolivia, Departement Santa Cruz, zuidelijke uitloper van de Cerro de Conceptión, in de omgeving van de Estación El Tinto op mossige rotsplaten in stenig terrein.
Frailea amerhauseri GN 929 Frailea amerhauseri GN 929
Doorsnede van de bloem van Frailea amerhauseri GN 929

Frailea amerhauseri onderscheidt zich van de donkerdoornige Frailea chiquitana M.Cardenas door de uniforme lichte groene epidermis, die bij Frailea chiquitana lichtgroen is met donkere haren onder de areolen, kiezelsteenwitte, dichte bedoorning en door de intensieve karmijnrode bloemkelk. Van Frailea larae Vasquez onderscheidt ze zich door het meestal sterk spruitende lichaam met lange zachte kiezelsteenwitte (hyalienwitte) doornen, die bij Frailea larae aanzienlijk korter en hard zijn, en trechtervormige in tegenstelling tot klokvormige, en niet cleistogame bloemen.
Frailea amerhauseri GN 929 Frailea chiquitana
Frailea amerhauseri GN 929 op de vindplaats Frailea chiquitana Cardenas

Literatuur.:
Backeberg C. (1963) : Frailea uhligiana - Descr. Cact.Nov.3:6.G.Fischer Verlag, Jena 1963
Cardenas M. (1951): Frailea chiquitana - Nat.Cact.Succ.J.(U.S.) 6 (1) :8-9
Prestlé K.H. (1997) : Die Gattung Frailea; Pag. 227 - 229 - Eigenverlag; Veghel, NL
Spegazzini C. (1905): Echinocactus pygmaeus - Anal. Mus.Nac.Buenos Aires 3 (4): 497-498.
Vasquez R. (1994) : Nueva Especie del Genero Frailea (Cactaceae) - Frailea larae - Revista Soc. Estud. Bot. 1(1):5-8

Ik dank de Heer Dr.Walter Till, Botanisches Institut der Universität Wien, voor het kritisch lezen van het manuscript en ook voor de opstelling van de latijnse diagnose.
Dhr. Robert Bonjé dank ik voor de Nederlandse vertaling.

Adres: Vijverweg 12
4561 AL Veghel
Valid HTML 4.01 Transitional

All material, except where otherwise credited, is Copyright
 © 2005-2007 Paul C. Laney

---------- end of page ----------