logo Frailea - Hidden treasures
Articles
  home Last Modified: 20220504  
Succulenta (Netherlands) 69(3), 64-68, 1990

Frailea buenekeri Abraham species nova

WOLF-RAINER ABRAHAM

Het geslacht Frailea komt voor in de Zuidamerikaanse staten Argentinië, Uruguay, Brazilië, Paraguay en Bolivia. Mede vanwege het grote verspreidingsgebied vertoont het geslacht een grote soortenrijkdom. Desondanks schijnt ze zich toch geen hoge gunst te verwerven bij de cactusliefhebbers, zeker niet die positie zoals Gymnocalycium en Notocactus, geslachten uit hetzelfde groeigebied. Als redenen hoort men dan een lage kiemkracht van de zaden, moeilijke planten in de cultuur en weinig bloei.
Als men in verzamelingen Frailea's vindt, dan staan er soms planten tussen met de aanduiding "Frailea buenekeri", "spec. Büneker" of "spec. Waras". Onder de laatste twee aanduidingen komen ook Frailea's voor die behoren tot F. grahliana (Haage) Br. & R.
De bovengenoemde soort was indertijd ontdekt door Rudi Werner Büneker. Tijdens een gezamenlijke studiereis in december 1987 konden wij de groeiplaats bezoeken en aanvullende observeringen doen op welke basis de mooie soort beschreven kon worden. Ze is benoemd naar haar vinder.

Corpus in patria rubrobrunneum, in cultura saepe perviride cum nota lunata violacea sub areolis; in patria 1 5-20 mm diametiens et fere eadem altitudine, in cultura longius ecrescit; epidermis tenue scrobiformiter punctata est, vertex alte depressus; radix maxime rapiformis, 3-5 cm longa cum paucis radicibus adventiciis parvis.
Costae 1 4-1 9, plerumque 1 7-1 9 (dimidium 1 5 plantarum 1 7 costae), 1 mm altae, 3-4 mm latae, 1,5 mm inter se distantes; inter areolas demersiones 1 mm altae ut costae in tubercula solvantur.
Areolae oviformes, ad 1 mm longae et fere 0,5 mm latae, in tuberculis positae et tomento sufflavo instructae.
Spinae adiacent et in corpus curvantur, pectinate ad fere stellaeformiter positae, albae, 1-1,5 mm longae, fere 0,2 mm crassae, in latera directae, pede non crassatae,'centralis deest; spinae multis spinulis adventiciis instructae sunt.
Flos caelo calido circa meridiem aperitur, 25-35 mm longus est eadem apertura; pericarpellum 7 mm longum et 5 mm latum extrinsecus fulgens rubrum lana subbrunnea instructum est; caverna seminifera 3 mm lata et 6 mm alta est, ovulis parietalibus; receptaculum 17 mm longum infra 5 mm et supra 8 mm latum; squamae 1 mm latae eadem longitudine acumine vitreo et saetis singulis 5-1 5 mm longis instructae; saetae longissimae sunt in regione transeunti in folia perianthii;
squamae in folia parianthii exteriora transeunt; nectarium leviter tantum significatum fere 0,5 mm altum est; folia perianthii transeuntia sulphurea nervo mediali et acumine rubro, ad 2,5 mm lata, acumine extrorso; folia exteriora pallide flava nervo rubrescenti mediali plus minusve expresso, ad 25 mm longa, acumine serrato, ad 4 mm lata, spathulata; folia interiora pallide flava, ad 22 mm longa, 3 mm lata, spathulata; imum floris per 2 mm rubrum est; stamina primaria 8-1 0 mm longa, secundaria 4 mm longa, eburnea; antherae flavissimae fere ex aureo flavae, 1 mm longae, 0,5 mm latae; pistillum 15 mm longum, 1 mm crassum; stigmata 7, 3-4 mm longa, divaricata; pistillum et stigmata eburnea.
Fructus 10 mm longus et 7 mm latus plerumque sine apertura floris fit (cleistogamus), rubrobrunneus, lana subbrunnea et saetis ad 5 mm longis obsitus; fere 60 gramina continens maturus siccatur et in pulverem vertitur.
Semina 1,5-2,0 mm longa, 1 mm lata, galeriformia, pectine a tergo instructa; testa atrobrunnea, paene nigra, tenuissime tuberculata; embryo globulare parte radiculari in acumen desinens;
hilum basale et ovo simile; micropyle sub margine hili demersa et cute tenui cui funiculus affixus est clausa; cotyledones discerni possunt, perispermum deest.
Habitat: in orientem Sao Gabriel, Rio Grande do Sul, Brasilia, in altitudine 200 m. Haec species in fissuris saxorum planorum, partim sub sole pleno, partim in semi-umbra graminum crescit. Substrato pH 5,6 est. In statione aliae cactaceae non inveniuntur.
Holotypus depositus in Succulentario Universitatis Coloniae Agrippinae (KOELN) sub numero RWB (Rudi Werner Büneker) 27.

Frailea buenekeri bloem (Foto van de schrijver.).
Frailea buenekeri op de natuurlijke groeiplaats (Foto van de schrijver.).
Frailea buenekeri detail van het lichaam (Foto van de schrijver.).

Beschrijving

Lichaam op de groeiplaats roodbruin, in de cultuur soms donkergroen en met een violette kin onder de areolen. Op de groeiplaats 1 5-20 mm 0 en ongeveer even hoog, in de cultuur hoger. Epidermis met fijne korrelstructuur. Schedel sterk verzonken. Wortelstelstel een forse penwortel, 3-5 cm lang, met enkele kleine zijwortels.
Ribben 1 4-1 9, meestal 1 7-1 9, gemiddeld aantal ribben 1 7 (van 1 5 planten), 1 mm hoog, 3-4 mm breed. Afstand van de areolen 1,5 mm, tussen de areolen 1 mm verdiept, waardoor de ribben opgedeeld zijn in knobbels.
Areolen ovaal, tot 1 mm lang en ongeveer 0,5 mm breed, op de knobbels, met lichtgeel vilt.
Dorens aanliggend en naar het lichaam toe gebogen, kam- tot bijna stervormig ingeplant, wit, 1-1,5 mm lang, ongeveer 0,2 mm dik, zijwaarts gericht, basis niet verdikt, geen middeldoren. Dorens bedekt met vele kleine ''stekels''.
Bloem opent zich bij warm weer tegen de middag, 25-35 mm lang en bij volle anthese even breed.
Vruchtbeginsel 7 mm lang, 5 mm breed, van buiten fel rood, bedekt met lichtbruine wol; zaadholte 3 mm breed, 6 mm lang, zaadstrengen wantstandig. Bloembuis 7 mm lang, onder 5 mm en boven 8 mm breed; bezet met schubben, 1 mm breed en lang, met glazige punt, met een bruine, 5-1 5 mm lange borstelhaar, waarbij de langste optreden bij de overgang naar de bloembladeren. De schubben gaan over in de buitenste bloembladeren.


A = bloemsnede en schubben alsmede bloembladeren


B = zaad
B1 = hilum-micro pyle-a a nzicht
B2 = zaad dwarsdoorsnede
e = embryo
B 3 = embryo, co = cotyledonen
B4 = vrucht met bloemrest

C = jonge areool
C l = oude areool
Tekeningen: A .J . Brederoo

Nektarkamer nauwelijks herkenbaar, ongeveer 0,5 mm diep. Overgangsbloembladeren zwavelgeel met rode middennerf en rode punt, tot 2,5 mm breed, punt naar buiten gebogen. Buitenste bloembladeren bleekgeel met een meer of minder duidelijke rode middennerf, tot 25 mm lang, punt getand, tot 4 mm breed, spatelvormig. Binnenste bloembladeren bleekgeel, tot 22 mm lang, 3 mm breed, spatelvormig. Bloembodem tot 2 mm hoog rood. Meeldraden: primaire 8-1 0 mm lang, secundaire 4 mm lang; helmdraden ivoorkleurig; helmknoppen krachtig geel, bijna goudgeel, 1 mm lang, 0,5 mm breed. Stamper 15 mm lang, 1 mm dik; 7 stempellobben, 3-4 mm lang, gespreid; stamper en stempel ivoorkleurig.
Vrucht. Vruchtzetting vindt meestal plaats zonder anthese van de bloem (cleistogaam). Vrucht roodbruin, bedekt met lichtbruine wol en tot 5 mm lange borstelharen, 1 0 mm lang, 7 mm breed, bij rijpheid verdrogend en verpulverend; bevat ongeveer 60 zaden.
Zaad 1,5-2,0 mm lang, 1 mm breed, helmvormig, met een kam op de rugzijde; testa zwartbruin, bijna zwart, met zeer fijne knobbels; kiem bolvormig, worteldeel puntig toelopend. Navel basaal, ovaal; poortje verdiept onder de rand van de navel en door een dunne huid, waaraan de navelstreng bevestigd is, afgesloten. Kiembladeren zichtbaar, perisperm ontbreekt.
Groeiplaats ten oosten van Sao Gabriel, Rio Grande do Sul, Brazilië, 200 m boven zeeniveau. De planten groeien in spleten van rotsplaten, deels in de volle zon, deels in de schaduw van gras. De pH-waarde van het substraat is 5,6. Op de groeiplaats komen geen andere vertegenwoordigers van de Cactaceae voor.
Holotype gedeponeerd in het Succulentarium van de Universiteit van Keulen (KOELN) onder het nummer RWB (Rudi Werner Büneker) 27.

Bij oppervlakkige beschouwing vertoont Frailea buenekeri een zekere gelijkenis met F. phaeacantha (Speg.) Speg., dat bij nader onderzoek niet bevestigd wordt. In de tabel kan men de verschillen zien zoals kleinere lichaamsdiameter, minder ribben, lichtgeel areolenwit, langere vrucht en kleinere zaden bij F. buenekeri. F. buenekeri stelt in de cultuur geen speciale eisen. Zaden die koel en vooral droog bewaard zijn, behouden hun kiemkracht tot 1 a 2 jaar na de oogst. Kieming volgt zeer snel na het zaaien, dikwijls binnen 48 uur. Het substraat moet goed doorlatend zijn en mogelijk zwak zuur. Het liefst staan ze met een
paar te zamen in één pot.

Vergelijkingstabel F. phaeacantha (Speg.) Speg. en F. buenekeri Abraham.

F. phaeacantha F. buenekeri
Lichaamsdiameter 35 mm 20 mm
ribbental 22-26 14-19
ribhoogte 0-0,5 mm 1 mm
rib tussen areolen niet verdiept verdiept
areolenvilt violetzwart
krachtig ontwikkeld
lichtgeel
weinig
dorenbasis verdikt
bruinzwart
niet verdikt
wit
bracteolenborstels 2-3, 3-9 mm 1,5-1 5 mm
vrucht 1 1 mm lang
1 0 mm breed
grijswit behaard
1 0 mm lang
7 mm breed
bruin behaard
zaadholte 3.5 mm lang
1.5 mm breed
6 mm lang
3 mm breed
zaad 2.5- 3 mm lang
1.5- 2 mm breed
glad
1,5-2 mm lang
1 mm breed
fijn geknobbeld

Beschreibung:

Körper am Standort rotbraun, in Kultur manchmal dunkelgrün und mit violettem Halbmond unter den Areolen. Am Standort 1 5-20 mm Durchmesser erreichend und etwa ebenso hoch werdend, in Kultur langer. Epidermis tein grubig punktiert. Scheitel tiet eingesenkt. Wurzeln ausgesprochene Rübenwurzel, 3-5 cm lang mit wenigen kleinen Seitenwurzeln.
Rippen 1 4-1 9, meist 1 7-1 9, mittlere Rippenzahl 1 7 (aus 1 5 Pflanzen), 1 mm hoch, 3-4 mm breit. Areolenabstand 1,5 mm, zwischen den Areolen 1 mm tiefe Einsenkungen, so daß die Rippen in Hoeker aufgelöst sind.
Areolen: Oval, bis 1 mm lang und etwa 0,5 mm breit, aut den Höckern sitzend, mit hellgelbem Filz.
Dornen: Dornen anliegend und zum Körper gekrümmt, kamm- bis fast sternförmig gestellt, weiß, 1-1,5 mm lang, etwa 0,2 mm dick, zur Seite weisend, Fuß nicht verdickt, Mitteldorn fehlend. Dornen mit vielen kleinen Stacheln besetzt. Blüte öffnet sich urn die Mittagsstunden bei warmen Wetter, 25-35 mm lang, ebenso weit öffnend;
Fruchtknoten 7 mm lang, 5 mm breit, außen leuchtend rot, besetzt mit hellbrauner Wolle; Samenhöhle 3 mm breit, 6 mm hoch, Samenanlagen wandstandig; Blütenröhre 7 mm lang, 5 mm unten und 8 mm oben breit. Schuppen 1 mm breit, ebenso lang mit glasiger Spitze, eine braune, 5-1 5 mm lange Borste tragend, wobei die langsten Borsten am Übergang zu den Blütenblattern stehen. Die Schuppen gehen in die außeren Blütenblatter über; Nektarrine nur angedeutet, etwa 0,5 mm tief; Blütenblatter: Die Übergangsblütenblatter schwefelgelb mit rotem Mittelnerv und roter Spitze, bis 2,5 mm breit, Spitze nach aulien gebogen. Außere Blütenblatter blaßgelb mit mehr oder weniger ausgepragtem rötlichen Mittelnerv, bis 25 mm lang, Spitze gezackt, bis 4 mm breit, spatelförmig. Innere Blütenblatter blaftgelb, bis 22 mm lang, 3 mm breit, spateiförmig. Blütenboden auf den unteren 2 mm rot; Staubblatter: Primare Staubfaden 8-10 mm lang, sekundare 4 mm lang, Staubfaden elfenbeinfarben, Staubeutel kraftig gelb, fast goldgelb, 1 mm lang, 0,5. mm breit; Griffel 1 5 mm lang, 1 mm dick, Narbenäste: 7 Narbenlappen, 3-4 mm lang, spreizend, alles elfenbeinfarben.
Frucht bildet sich meist ohne Öffnung der Blüte (kleistogam), Frucht rotbraun, besetzt mit hellbrauner Wolle und bis 5 mm langen Borsten, 1 0 mm lang, 7 mm breit, bei Reife vertrocknend und verpulvernd, etwa 60 Samen enthaltend.
Samen 1,5-2,0 mm lang, 1 mm breit, helmförmig, Kamm auf der Rückseite; Samenschale schwarzbraun, fast schwarz, sehr fein gehöckert; Keim kugelförmig, Wurzelteil spitz zulaufend; Nabel basal, oval; Pförtchen unter dem Rand des Nabels eingesenkt und durch eine dünne Haut, an der der Nabelstrang befestigt ist, geschlossen; Keimblëtter sichtbar, Nahrgewebe fehlend.
Standort östlich von Sao Gabriel, Rio Grande do Sul, Brasilien, in 200 m über dem Meerespiegel. Die Pflanzen wachsen in den Rissen von Felsplatten, teils in voller Sonne, teils im Halbschatten von Grasern. Der pH-Wert des Substrates liegt bei 5,6. Am Standort kommen keine anderen Arten der Cactaceae vor.
Holotypus hinterlegt im Succulentarium der Universitat Köln (KOELN) unter der Nummer RWB (Rudi Werner Büneker) 27.

Mijn dank gaat uit naar de heren A.J. Brederoo voor de voortreffelijke tekeningen, J. Theunissen voor de Latijnse diagnose, Ludwig Bercht voor de Nederlandse vertaling en natuurlijk in't bijzonder naar Rudi Werner Büneker voor zijn vertrouwen en hulp tijdens onze gezamenlijke reis in december 1987/januari 1988.

Sandweg 2, D-31 71 Hillerse

 

Valid HTML 4.01 Transitional