logo Frailea - Hidden treasures
References in literature
References are marked in "Red".
  home Last Modified: 20240216  
Succulenta V46 - 1967 pag. 69-72

De gedragingen van enige cactussen bij de bevruchting. - Kleistogamie

door WILHELM SIMON
401 Hilden/Rhld, Eller Strasse 1 a

   Over de bestuiving van kaktusbloemen heeft Porsch in 1938/39 (I) een samenvattend overzicht gegeven. Sindsdien is daarover slechts weinig nieuws bekend geworden
   Wij weten, dat de meeste kaktussen allogaam zijn, d.w.z. dat zij alleen zaad kunnen vormen na bestuiving met stuifmeel afkomstig van een bloem van een andere plant, dus na kruisbestuiving. Slechts weinig kaktussen, zoals b.v. enige Rebutia's zijn autogaam, d.w.z. zij vormen ook zaad na bestuiving met het eigen stuifmeel. Bovendien zijn er ook nog soorten, waarbij de zelfbevruchting zich in de gesloten bloem voltrekt; zulke planten vormen kiemkrachtig zaad, zonder dat de bloem zich heeft geopend. Dit verschijnsel wordt kleistogamie genoemd; wij kennen dit van de Frailea's.
   Aan dit verschillend gedrag, waaruit men misschien ook konklusies mag trekken wat betreft de verwantschap, is in de literatuur tot nu toe nauwelijks aandacht besteed. Porsch (I) geeft een samenvatting van de tot op dat ogenblik bekende publicaties. Wat betreft de kleistogamie haalt hij Schumann (1898), Spegazzini (1905), Britton en Rose (1921), Vaupel


   Afb. 1. - Frailea schilinskyana. Is de plant eenmaal zo groot, dat zij bloeit met open bloem, dan zet zich dit vermogen door tot in het kleinste stekje.

   foto: W. Simon


   Afb. 2. - Frailea gracillima. Twee evenoude knoppen, links kleistogaam, het zaad is bijna rijp, rechts twee dagen voordat de bloem zich opent.

   foto: W. Simon

(1925), Berger (1929), en Backeberg-Knuth (1935) aan, maar legt er de nadruk op, dat alle op kleistogamie betrekking hebbende beweringen met voorzichtigheid gehanteerd moeten worden en nauwkeuriger moeten worden. Ook in Backebergs "Cactaceae" (2) staat er geen nieuws over.
   De gangbare mening is, dat Frailea-bloemen zich alleen in de volle zon openen, anders zullen de vruchten zich kleistogaam zetten. In werkelijkheid liggen de verhoudingen geheel anders, zoals uit mijn eigen ervaringen gebleken is. Hierover zal ik nu in het kort verslag uitbrengen.
   Zowel Frailea grahliana als F. schilinskyana geven reeds als klein plantje van nauwelijks 10 mm doorsnede knoppen, die niet open gaan maar toch zaaddragende vruchten voortbrengen. Pas wanneer de plantjes groter geworden en rijkelijk met stekken omringd zijn, ontwikkelen zich ook knoppen, die overgaan in geopende bloemen. Planten, die voor het eerst open bloemen hebben, brengen (vooropgesteld, dat de kweekwijze gelijk blijft) het volgende jaar eerst wederom enige kleistogame bloemen voort en daarna

   Afb. 3. - Frailea sp. n. Nog onbekende soort uit de nalatenschap van Fric. De slanke eivormige knop een dag voor het opengaan.

   foto: W. Simon




   Afb. 4. - Frailea gracillima. Een kuriositeit. Zie tekst.

   foto: W. Simon


Cliché's welwillend in bruikleen afgestaan door Kakt. u.a. Sukk.

open bloemen. Pas wanneer de planten zo groot zijn, dat zij direct met geopende bloemen bloeien zet zich dit vermogen tot in het kleinste stekje door (afb. 1). Op gelijke wijze gedragen zich F. aurea, F. carminifilamentosa, F. pseudograhliana en F. pumila. Groter wordende Frailea's, zoals F. bruchii, F. dadakii, F. pygmaea, die zelden spruiten, dragen minder bloemen. Hier verschijnen de geopende bloemen pas op oudere planten. Elke stilstand in de groei beantwoordt de plant met kleistogame bloemen, ook bij zonnig weer. Vond de groeistilstand plaats in het voorjaar, bijvoorbeeld door verpotten, dan komen de open bloemen pas in de zomer. Dit zal wel tot de foutieve mening geleid hebben, dat de Frailea-bloemen zich slechts in de volle zon openen.
   Dat het niet zo is, kan men gemakkelijk vaststellen, waneer men de knoppen van klein af nauwkeurig gadeslaat. Bij de genoemde soorten zijn de bloemknoppen aanvankelijk kegelvormig, spoedig heeft een verschil in ontwikkeling plaats in dier voege, dat een deel van de knoppen aan de basis dikker wordt, dat zijn die knoppen, die kleistogaam vrucht vormen (afb, 2). De andere knoppen worden slank eivormig en openen zich op een aanmerkelijk later tijdstip (afb. 3). Met een beetje ervaring kan men al spoedig zien, of een knop zal opengaan of niet. In de spits kegelvormige knoppen worden nooit bloembladen gevormd; in de slanke knoppen daarentegen worden wel bloembladen gevormd. Deze knoppen gaan open, zelfs dan, waneer de zon niet volop schijnt. De beslissing, of een knop kleistogaam zaad vormt, dan wel zijn bloem ontvouwt, is dus reeds op een vroeger tijdstip gevallen ! Slechts zelden kon ik waarnemen, dat dergelijke bloemknoppen door een plotseling invallende koude niet opengingen; zij verdroogden zonder tot zaadvorming te komen.
   Onder normale omstandigheden openen de bloemen zich in de kas reeds boven 20 °C. Zij blijven slechts weinige uren, meestal van 13 tot 15 uur, open en dit herhaalt zich de volgende dag niet meer. Belangwekkend is, dat de geopende bloemen meestal geen zaad vormen, wanneer men niet door bestuiving helpt.
   Ik ben er nog niet geheel zeker van, dat alle Frailea's zich zelf kunnen bestuiven; zij gedragen zich zeer verschillend. Van de tot nu toe genoemde soorten heb ik van F. asterioides door zelfbestuiving nog geen zaad kunnen winnen. Zaden van F. cataphracta, die door zelfbestuiving werden verkregen, bleken niet kiemkrachtig te zijn. Bij F. chiquitana (of juister gezegd, bij die Frailea, die bij ons als F. chiquitana in de handel is) (3) kon ik nog geen kleistogame zaadvorming waarnemen. Men moet daaruit evenwel geen overhaaste gevolgtrekkingen maken.
   Tot slot nog een merkwaardigheid (afb. 4). De bloem van een F. gracillima was open geweest, maar vormde geen zaad. Uit het onderste deel van deze bloem ontwikkelde zich nu een knop, die kleistogaam vrucht zette, daaronder nog een, die echter geen vrucht vormde. Een prachtig bewijs voor de spruitvormende natuur van de kaktusbloem, ingeval dit nog nodig mocht zijn. Ik stuurde alles aan mijn vriend Kilian, die er een foto van maakte.

Literatuuropgave :
(1) Porsch, Cactaceae 1938/1, Das Bestaubungsleben der Kakteenblüte I
     Cactaceae 1939/1, Das Bestaubungsleben der Kakteenblüte 2.
(2) Backeberg, Die Cactaceae, Jena 1959.
(3) Simon, Sukkulentenkunde VII/VIII, 1963, 71 en 72.
     Uitvoerige bibliografie bij Porsch.

Naschrift van d e redactie.
   Uit dit artikel blijkt weer, hoe veel eenvoudig onderzoek nog verricht kan worden, juist door de liefhebbers. Er is over de oorzaken van het optreden van cleistogame bloemen in het algemeen wel wat bekend, maar aan het onderzoek bij cactussen is nog weinig gedaan. Naar ik hoop zal van dit artikel een prikkel uitgaan tot verdere studie.

Valid HTML 4.01 Transitional